vrijdag 3 mei 2019

Klein geluk


Ze schoof voorzichtig het gordijn opzij. Het raam zat vol met regendruppels. Tussen de weertranen door zag ze mensen op straat lopen. Ze waren haastig, hadden bijna allemaal een snelle tred. Ook hadden ze allemaal iets grauwigs, vond ze. Misschien kwam het ook door de kou, want als ze zo naar de boom voor het huis keek, dan zag ze dat er ook een flinke wind stond. 
Annabel bleef zo nog een tijdje staan kijken. Er liep een moeder voorbij met een kinderwagen, een oudere dame met een stok, een meneer met een aktetas en een man in uniform. Annabel zag dat niemand echt op elkaar lette. Alsof ze allemaal in hun eigen gedachten waren verzonken. De voorbijgangers hadden ook bijna allemaal de ogen naar de grond gericht. Behalve die man in het uniform. Die keek meer naar alles wat hij op ooghoogte zag. Even leek het alsof hij zijn blik nog verder naar boven liet gaan. 
Annabel schrok ervan. Zou hij het voelen dat ze naar hem stond te kijken? Ze liet het gordijn los en voelde hoe haar hartslag iets toenam. “Annabel? Waar zit je?” De stem van haar moeder. “Hier, mam”, zei ze zachtjes, alsof ze bang was dat iemand haar zou horen. Haar moeder kwam de kleine kamer binnen. “Kom”, zei ze, “dan zetten we een kopje thee. We hebben nog een pak koekjes liggen. Vandaag mag je er wel twee.” De ogen van moeder glunderden. Annabel keek haar even vrolijk aan. Twee koekjes, dat was niet niks. “Je bent tenslotte jarig vandaag”, zei moeder en ze dirigeerde Annabel langzaam richting de keuken, weg van het raam. Daar zette het tweetal een grote pot thee. 
“Kom, Annabel. Dan gaan we weer naar boven.” Annabel aarzelde. “Kunnen we niet even hier in de keuken blijven?” “Nee, laten we dat maar niet doen. Je vader zit boven op je te wachten. Hij heeft nog een cadeautje voor je.” “Een cadeautje”, stamelde Annabel. “Voor mij?” “Je bent maar een keer per jaar jarig, Annabel. Dus we mogen je best een beetje verwennen.” Annabel en haar moeder liepen naar boven toe, over een kleine houten trap. Ze gingen een kleine doorgang door en daar zat vader. “Ik heb een mooi cadeau Annabel.” “Echt waar, papa?” Annabels wangen werden rood van opwinding. “Ik ben zo nieuwsgierig”, giechelde ze en ze draaide zich om naar haar moeder. “Waar is mama heen?” “Die is even de deur aan het dichtdoen, Annabel”, zei vader. “Nou, kom op: maak open!” 
Annabel scheurde het krantenpapier dat haar vader als cadeaupapier had gebruikt voorzichtig open. Bij het openvouwen probeerde ze te voelen wat het was, maar ze had geen idee. “Weet je al wat het is”, vroeg moeder die weer terug was. “Nee, nog niet. Ik open het langzaam. Ik wil ervan genieten”, lachte Annabel. Ineens zag ze haar cadeautje liggen: middenin het krantenpapier. Het glinsterde alsof het gloednieuw was. “Wat is het mooi”, stamelde Annabel. “Maar hoe kan dit…” Haar vader en moeder lachten. “Vraag niet hoe, kijk liever of die past.” 
Annabel deed de zilveren armband om haar rechterpols. “Hij is echt prachtig.” De ogen van Annabel waren vochtig. Zoiets moois had ze nog nooit gehad. En nu kreeg ze ook nog thee met twee koekjes. Het drietal zat aan de tafel en genoot van het kleine geluk en de dampende thee. Plotseling klonk er gebonk beneden op de deur. Ze hoorden hoe de deur openging. “Kan ik u helpen”, klonk een stem. “Lass uns rein! Jetzt!”

Een oud huis met een zolder langs de weg, iets over Bevrijdingsdag op de radio en weten dat het morgen 4 mei is. Het was genoeg om Annabel en haar familie te laten ontstaan. Het is aan de lezer om te bepalen welk afloop dit verhaal krijgt. Ruim 100.000 joden in Nederland overleefden de Tweede Wereldoorlog niet. Zij werden vermoord of kwamen door ziekte en uitputting om het leven.

maandag 4 maart 2019

De buitendeur

Een zacht gekraak klinkt als ze zachtjes met haar schouder tegen de buitendeur aanduwt. Het gekraak brengt haar even uit haar concentratie. Ze heeft toch niets kapot gedrukt, vraagt ze zich geschrokken af. Ze bekijkt de deurpost van boven naar beneden en voelt hoe er door de kleine kier die is ontstaan, een frisse, zoetgeurende wind naar binnen blaast. De potten met aarde die ze op een plank in haar handen vastheeft, besluit ze even neer te zetten. Voorzichtig betast ze de deurpost. Er is niks te zien. Daarop duwt ze nog een keer voorzichtig tegen de buitendeur aan, nu niet met haar schouder, maar met haar twee handen. De deur werkt niet echt mee. Alles lijkt vastgeroest. Maaike wil net kracht zetten als ze ineens de stem van haar oma hoort.

“Maaike, wat ben je aan het doen.” Maaike laat de buitendeur onmiddellijk los. “Niks, oma”, verontschuldigt ze zich tegenover de kleine vrouw die vanuit het niets in de keuken lijkt te zijn verschenen. “Niks”, vraagt haar oma en ze kijkt Maaike over haar brilletje doordringend aan. “Zo ziet het er anders niet uit. Waar wil je me die potten naartoe?” “Naar uw tuin, oma.” “Mijn tuin?” De stem van oma slaat over. “Dat lijkt mij niet, Maaike. Hoe vaak heb ik nu al gezegd dat ik niet wil dat je de tuin ingaat.” Vaak, denkt Maaike, maar ze zegt niks. Ze is er ook nog nooit geweest. “Het zijn potten met aardbeienzaadjes, oma. En deze…”, Maaike wijst naar de andere potten op de plank, “zijn gevuld met tomatenzaadjes. Ik wil ze voor u in de tuin zetten. Het wordt tijd dat u wat vaker buiten komt.”

“Ik wil best naar buiten”, zegt oma, “maar niet door de achterdeur. Dus zet die potten maar eerst achter het raam op de vensterbank en dan kunnen we ze later altijd nog naar de voortuin verhuizen.” “Maar oma…” “Nee, Maaike… we houden er nu echt over op. Die buitendeur blijft gesloten.” “Maar waarom”, probeert Maaike. “Omdat ik het zeg, dus daarom.” Daarom is geen reden, snauwt Maaike haar oma in gedachten toe. Even lijkt het of haar oma die woorden heeft gehoord, want ze reageert met de woorden: “Ik hoef niet alles aan je uit te leggen.” Dan loopt oma naar de buitendeur toe, trekt deze weer helemaal dicht, waardoor de kleine kier verdwijnt. Als laatste doet ze de knippen er weer op. “Zo, geef die potten maar aan mij, dan zet ik ze hier neer, mooi op de vensterbank.”

“Kijk eens, Maaike. Ze doen het”, zegt oma een paar weken later opgewekt tegen haar kleindochter die weer op visite is. “Ze staan er werkelijk waar prachtig bij. Ik ben heel benieuwd wat de plantjes gaan opbrengen aan oogst.” Maaike kijkt door het keukenraam de achtertuin in. Daar ziet ze een mooie border vol groene planten en een stuk aarde waar ruimte over is. Daar zouden de plantjes goed tot hun recht komen. Oma ziet haar kijken. “Nee, Maaike. We wachten nog even tot ze groot genoeg zijn.” Maaike kijkt haar verrast aan. “En dan? Mogen ze dan de achtertuin in?” “Nee, dat bedoelde ik helemaal niet…”

Maaike is vastbesloten om zich niet af te laten schepen dit keer. Ze probeert er al haar hele leven achter te komen waarom haar oma nooit in de achtertuin komt. “Waarom zit die deur zo potdicht, oma.” “Hij klemt, dat weet je.” Het is het standaardantwoord dat Maaike al had verwacht. “We kunnen de deur toch openbreken?” Die vraagt heeft ze nog nooit durven stellen. “Oh, hemeltjelief, kind. Doe alsjeblieft niet zo naar. Die deur zit al jaren potdicht en dat laten we zo.” Maaike besluit nog een stapje verder te gaan. “Opa kwam toch altijd graag in de tuin? Lijk ik eigenlijk op hem?” Oma ziet witjes. “Wil je thee?”

Oma heeft koekjes op een porseleinen bordje gelegd. Er staan twee dampende koppen thee op tafel. “Het wordt tijd dat ik je meer vertel.” De stem van oma klinkt anders, verder weg en verzwakt. Maaike schrikt ervan. Wat is er met haar oma aan de hand. Waar gaat dit over… “De achtertuin was inderdaad de lievelingsplek van jouw opa. Hij was net zo verzot op tuinieren als jij”, glimlacht oma. “Wat is…” “Luister nu gewoon even naar me, Maaike.” Oma neemt een hap van haar koekje en een slok van haar warme thee. “Het is nog steeds de lievelingsplek van jouw opa.” Maaike kijkt haar oma geschrokken aan. “Nog steeds? Hoe bedoel je? Opa is er al zo lang niet meer. Ik heb hem zelfs nooit gekend.”

Als oma haar vraagt hoe zij denkt dat het kan dat de achtertuin er nog zo mooi uitziet, kijkt Maaike haar geschrokken aan. “Dat doe jij, toch?” Oma schudt haar hoofd. “Ik krijg die deur al jaren niet meer open, dat weet je. Alleen jou is het een paar weken geleden gelukt om de buitendeur op een kier te krijgen.” “Maar waarom heb je de deur toen dan weer dichtgetrokken? En wie houdt die tuin dan bij? Want je kunt er via de achterkant helemaal niet bij. Je moet door die buitendeur heen.” Oma lacht geheimzinnig. “Dat vroeg ik mij jaren geleden ook af.”

Oma vertelt hoe de deur na het overlijden van haar man ineens potdicht zat. “Ik kreeg de achterdeur met geen mogelijkheid meer open. Jouw vader heeft het ook nog geprobeerd, maar die zei op een gegeven moment dat ik er maar een timmerman bij moest halen. Dat wilde ik ook, maar de timmerman die ik wilde bereiken, nam nooit op als ik belde.” “Er waren toch ook andere klusjesmannen die je kon bellen?” Oma kijkt Maaike weer geheimzinnig aan. “Klopt, alleen die namen ook allemaal niet op. Tot op een avond ik een briefje vond, tegen het raam van de buitendeur geplakt. Van buitenaf.” Maaike kijkt haar oma onderzoekend aan. “Gaat het wel helemaal goed met je, oma?”

“Er stond op: ‘Lieve Margot, geen zorgen. Ik zorg voor onze tuin. Ik laat de tuin elk jaar volop voor jou bloeien. Je hoeft niks te doen, alleen te genieten. Je mag alleen de tuin niet in. Als de deur opent, dan is het Hof van Eden er ook voorgoed voor jou. Maar lieve Margot, zover is het nog niet. Liefs, Alfredo.” “Watttttt?” Maaike springt op van haar stoel. “Oma, we moeten echt naar een dokter toe. Zal ik papa bellen?” Oma schudt haar hoofd. “Oma, dit is niet normaal, hoor. Het lijkt wel of je aan het dementeren bent. Oh, ik ga echt papa bellen.” Maaike grijpt naar haar mobieltje. “Goed schat”, zegt oma, “ga jij maar even bellen. Ik houd van je, lieverd.” Maaike kijkt haar oma aan en glimlacht, wat is haar oma toch een fijne vrouw. “Ik ook van jou”, zegt ze en ze meent elk woord. Ze geeft haar oma een kus op het voorhoofd. “Maar we moeten nu echt hulp inschakelen.” Oma knikt.

Als Maaike naar de woonkamer loopt om te bellen, staat oma voorzichtig op. Ze pakt een notitieblok en schrijft er iets op. Dan loopt ze loopt naar de buitendeur. Aan de andere kant staat Alfredo. De schoffel heeft hij voor deze bijzondere gelegenheid opzij gelegd. Hij pakt de deurklink aan de buitenkant vast en duwt deze naar beneden. De buitendeur gaat zonder moeite open. “Wat fijn dat je de tuin bezoekt, Margot”, klinkt zijn warme stem. “Ik heb al die jaren niet anders gewild, Alfredo.” Er loopt een traan over haar wang. Alfredo veegt die weg en sluit zijn Margot in zijn armen. “Oma”, horen ze Maaike binnen roepen. Ze zien hoe Maaike om zich heen zoekt en dan verstijft. De planten in de tuin zijn allemaal verdord. Op de keukentafel ligt een briefje. “Geloof het nu maar, Maaike. Alles komt altijd weer goed.” In de tuin ziet ze haar oma op de grond liggen.

zaterdag 16 februari 2019

Terug naar toen

Het lijkt alsof al het plezier dat hij in zijn lange rijke leven heeft gekend, bij elkaar komt in één heldere gezichtsuitdrukking. Zijn mondhoeken gaan langzaam omhoog, het puntje van zijn neus lift mee en zijn oren bewegen iets naar achteren. Het gaat langzaam, passend bij zijn leeftijd, maar het plezier komt er duidelijk aan. De rimpels op zijn wangen vouwen samen en de dofheid in zijn ogen wordt verslagen door een oude glanzende schittering die eindelijk weer zijn weg naar buiten vindt. “Hoi”, zegt hij ietwat verlegen.

Ik kijk hem aan en glimlach terug. “Hoi!” “Wat heb ik je lang niet gezien”, zegt hij en hij klopt op de stoel naast zich. “Wat fijn dat je er bent. Ga zitten. We hebben een muziekmiddag. Daar houd jij ook van. Weet je dat ik al heel lang op je wacht.” Ik kijk even om mij heen of anderen horen wat hij zegt. Ik twijfel, maar besluit dan toch zachtjes zijn hand aan te raken. “Beter laat dan nooit”, zeg ik vrolijk. Hij knikt en de rimpels in zijn gezicht vouwen een beetje terug, maar trekken direct weer samen als ik besluit om inderdaad even bij hem te gaan zitten en zijn hand vasthoud. “Wat ben je aan het doen?”, vraag ik. Hij haalt zijn schouders op. “Wat ik elke dag doe. Beetje zitten. De dagen zijn lang, maar vandaag is het anders. Jij bent hier.”

Zijn wangen krijgen een kleur. “Weet je nog hoe het was toen we samen waren?” Ik kijk hem aan. Ik voel dat de spieren in mijn eigen gezicht ook beginnen te lachen. Ik krijg het ook een beetje warm. Ik weet niet zo goed wat ik met zijn vraag moet. “Niet zo heel goed meer, moet ik eerlijk zeggen. Misschien wil je me er iets over vertellen?” Hij kijkt mij verbaasd aan. “Weet je het niet meer?” Ik knik zachtjes. “Is je geheugen niet meer zo goed”, vraagt hij en de zorg in zijn stem is hoorbaar. Zijn gezicht is gladder dan daarvoor, zijn blik ernstiger. “Dat valt wel mee”, zeg ik zachtjes. “Het is eigenlijk meer dat ik van jou wil horen waar jij aan denkt.”

De lichtjes verschijnen weer in zijn diepbruine ogen. “Oh, aan zoveel, Willemijn. Aan onze tijd samen. Aan onze dansavonden. Aan onze gesprekken. Het was altijd zo fijn samen. Ik herinner me ook nog zo goed hoe we samen op de muziek van Frank Sinatra dansten. We zwierden over de dansvloer. Dat ware mooie avonden. Jij. Ik. Wij. Samen.” Ik voel dat ik tranen in mijn ogen krijg, de brok in mijn keel probeer ik weg te slikken. “Wat is er?” Hij is zo bezorgd om mij. “Niks lieverd”, zeg ik hem. “Jouw herinneringen maken mij blij. Het dansen was fijn”, zeg ik hem. “Ja, hè. Jammer dat onze oude lichamen het niet meer goed kunnen. Of dans jij nog wel?” Hij kijkt mij onderzoekend aan. “Soms”, geef ik toe.

Op dat moment begint de band in de kleine zaal met de eerste klanken. Hij geniet zichtbaar. We luisteren samen naar een paar nummers van vroeger. De glimlach is niet van zijn gezicht te krijgen en ik glimlach met hem mee. Dan, hoe toevallig, klinken de eerste klanken van ‘Come dance with me’ van Frank Sinatra. Ik kijk hem verrast aan. Twee doffe ogen kijken terug. “Dat is toevallig”, probeer ik toch nog. “Wat?”, vraagt hij. “Niks meneer De Vries. Ik wilde alleen maar zeggen dat het zo fijn is om u hier te zien. Als de muziek straks klaar is, kom ik u halen. Mijn dienst begint nu namelijk.” Hij kijkt mij aan. “Doe maar. Je mag ook eerder komen. Ik vind er maar weinig aan.” In gedachten loop ik naar de afdeling toe van meneer De Vries. Ik tik de code in en open de toegangsdeuren. Misschien dat hij straks toch nog even wil dansen.

Bovenstaand verhaal is ontstaan na slechts een blik van een zachtaardige man in een verpleeghuis. Hij leek mij te herkennen. Ik zei dag en hij glimlachte voluit. Daarna verdween hij weer in zijn eigen gedachtewereld. Hij bleef in die van mij rondspoken en met dit verhaal wilde ik hem een plekje geven. Bedankt voor het verhaal, mooie onbekende.

donderdag 14 februari 2019

Stilletjes staan ze daar te staan...

Stilletjes staan ze daar te staan...
Dan tikt 'De kleine wereld' van Donna Tartt heel zachtjes Hendrik Groens derde boek aan.
'Kijk, daar komt iemand aan. Snel, ga rechtop staan.'


Ineens verschijnt daar een groot gezicht...
Voor de transparante deur, maar het deurtje blijft angstvallig lang dicht.
Ogen turen langs de buren van Tartt, ze blijven bij Harlan Coben even staan.
'Zou hij dit keer meegaan?' Het is 'Dolfje Weerwolfje' die het zachtjes vraagt.
'Nee, hij kiest voor mij', zegt Zwagerman ietwat bezwaard.


'Kijk niet zo somber, Joost. Zo blijf je in leven.'
'Misschien kom je terug, misschien blijf je hier.'
'Ach jongens, het interesseert mij geen zier. Al moet ik bekennen, ik wil in een mooie boekenkast staan. Niet zo langs de weg, dat is slecht voor mijn naam.'


Een hand reikt naar de deur en voorzichtig gaat die open.
Alle boeken rechten hun rug en ezelsoren worden rechtgebogen.
Wie wordt er dit keer gekozen.
De hand gaat naar een Jill Mansell toe.
'Tuurlijk', verzucht Mulisch. 'Altijd weer die chicklit. Alsof een echte literatuurliefhebber daarop te wachten zit.'


Dan komt daar ineens een nieuw boek voor Mansell terug.
Wat prijkt daar nu op zijn rug?
'Het is een haar. Kijk, maar ze heet Brontë.'
'Weg ermee', roept Yoyo Moyes.
'Welnee", zegt 't Hart. 'Die hoort er ook bij. Kom maar naast mij, aan de linkerzij.'


Dan gaat het deurtje weer dicht.
Boekenkaften ontspannen. Het zal er de volgende keer weer om hangen.

Een gedicht over de boeken in onze minibieb It Lytse Boekehús in Wikel.

zondag 23 september 2018

Verkeerd verbonden

“Kijk nou toch, daar staat ie gewoon.” Elaine rent naar de hoek van de kringloopwinkel waar ze zojuist samen met haar vriend Bastiaan naar binnen is gestapt. “Ja hoor, het is een echte. Voel maar”, roept ze naar Bastiaan die nog aan het begin van de winkel staat te kijken naar spullen. “Geweldig! Kijk dan, voel eens.” Elaine barst bijna uit elkaar van opwinding. Bastiaan komt op zijn gemak aangesloft. Van een afstandje begint hij te glimlachen. “Ik denk dat je gelijk hebt. Heb je er toch eindelijk een gevonden.”

“Hij is precies zoals ik altijd al wilde hebben.” Trots overhandigt Elaine hem de bakelieten wandtelefoon. “Voel maar. Lekker zwaar, dus hartstikke echt.” “Gaaf hoor, is de prijs ook een beetje gaaf”, vraagt Bastiaan, terwijl hij de telefoon van alle kanten bekijkt. “Ik zie er in elk geval geen prijsje op zitten, dus bereid je maar voor op wat dat gaat kosten.” “Dat weet je toch niet en eerlijk: ik heb er alles voor over.” Bastiaan lacht. “Nou, je rende net van de winkeldeur naar hier met allerlei vrolijke indianenkreten, dus ik heb het vermoeden dat de verkoper heel goed weet wat hij ervoor kan vragen, zeker aan jou.”

“Om eerlijk te zijn, vraag ik bij sommige mensen niet veel.” Elaine en Bastiaan draaien zich geschrokken om. Achter hen staat een mannetje, geheel gekleed in het zwart en van een leeftijd die de telefoon ver voorbijgaat. Op zijn vrij dikke neus staat een te kleine bril, wat hem een strenge uitstraling geeft. “Waar komt u ineens vandaan”, vraagt Bastiaan en hij kijkt verwonderd om zich heen. Bij binnenkomst had hij niemand gezien. “Dit is mijn winkel. Dus gewoon vanuit mijn winkel.” Hij kijkt Bastiaan strak aan en zwijgt verder.

Elaine en Bastiaan trekken hun wenkbrauwen op en weten uit de blikken die ze elkaar geven, dat ze dit onomstotelijk allebei een enge kerel vinden. Normaal gesproken besluiten ze dan zonder woordelijk overleg weg te gaan, maar Elaine pakt de telefoon van Bastiaan over en houdt deze strak tegen zich aan. Ze gaat niet weg  zonder de telefoon, dat is duidelijk. Ze moet die telefoon hebben. Bastiaan zucht. Door haar nieuwe ik-geef-alles-prijs-actie is de verkoopprijs zojuist verder gestegen.

Hij richt zich tot de eigenaardige eigenaar van de winkel. “Goed… u zei niet zoveel. En hoeveel is niet zoveel?” Bastiaan weet dat de oude telefoons voor veel geld over toonbank gaan en zeker dit exemplaar zou heel wat kunnen kosten, want het is de eerste bakelieten telefoon uit de jaren vijftig, een zeldzame. “Ik zei dat ik bij sommige mensen niet veel vraag. U heeft geluk. U betaalt nu een euro en over een tijdje zien we wel verder.” Elaine slaakt een verrukte kreet. “Geweldig! Eindelijk hebben we er een gevonden en dan ook nog zo’n mooi exemplaar. Ik weet zeker dat hij prachtig hangt in onze woonkeuken.” Het mannetje kijkt haar aan. “Dat denk ik ook. Alleen de deal is niet voor u.”

De eigenaar van de kringloopwinkel kijkt opnieuw Bastiaan aan. Die schraapt zijn keel. “Sorry, maar ik begrijp u niet goed.” Elaine kijkt op haar beurt haar vriend geschrokken aan. Hij gaat het toch niet verpesten nu. Wat kan haar het nu schelen met wie de deal wordt gesloten. “U zei dat wij er nu een euro voor betalen, en dat we daarna wel verder kijken. Ik snap u niet. Als we de telefoon kopen voor een euro, dan is die toch van ons?” De ogen van het mannetje knijpen samen. “Zoals ik al zei: ik doe alleen zaken met u. Als u mij een euro betaalt, dan is de telefoon inderdaad voor u. Maar u huurt de telefoon, u bent dus niet de nieuwe eigenaar. Dat kan simpelweg niet. De telefoon blijft officieel van mij.”

Elaine begint in haar tas te graaien op zoek naar haar portemonnee. Eigenaar of huurder van de telefoon, het kan haar niet schelen, als dat ding morgen maar in haar keuken hangt. “Stopt u uw portemonnee maar weg, mevrouw. De deal is alleen met uw vriend.” Bastiaan kijkt verward naar Elaine en daarna weer naar het mannetje. “Waarom sluit u alleen een deal met mij?” “Omdat jij de telefoon straks nodig hebt.” “Nodig? Waarvoor? En dat ding doet het sowieso niet.” “Dat beweert u.”

Elaine pakt Bastiaan bij zijn elleboog vast. “Schat, laat nou maar. Een euro. Dat is echt een koopje.” Bastiaan kijkt het mannetje recht in zijn gezicht aan. Die blijft strak terugkijken. “Wat bedoelde u met ‘na een tijdje zien we wel verder’? Moet ik dan ineens meer huur gaan betalen?” “Welnee, doet u niet zo achterdochtig. Ik sluit met u een huurovereenkomst voor een euro. U betaalt uw hele leven niet meer dan dat bedrag. Alleen, mocht u er onverhoopt niet meer zijn, dan neem ik de telefoon weer terug. Iemand anders kan de telefoon dan vast goed gebruiken.”

Bastiaan begint te lachen. Het mannetje voor hem is zo oud en krakkemikkig dat het niet lang meer duurt voordat hij dit leven verruilt voor het onbekende. Hij overleeft dat kereltje sowieso. “Dan hebben we een deal.” Elaine knijpt zachtjes in de arm van Bastiaan. Ze kijkt naar de telefoon die ze vasthoudt in haar rechterhand. Ze weet gek genoeg ineens niet of ze er nu echt blij mee is. Ze ziet hoe Bastiaan een euro uit zijn portemonnee pakt en deze aan het mannetje geeft. “Moeten we nog iets op papier zetten?” “Nee, dat is niet nodig”, zegt het mannetje. “Als het zover is, dan bel ik uw vrouw wel.” Er loopt een rilling over Elaine’s rug. “Kom we gaan, Bastiaan.”

Voorzichtig wrijft Elaine met de stofdoek over de wandtelefoon die nu ongeveer vier maanden in de keuken hangt. Het gekke gevoel dat ze over had gehouden van de manier waarop ze eraan waren gekomen, is langzaam verdwenen. Bastiaan was er al klaar mee geweest toen ze de winkel uit waren gelopen. “Wat een mafkees”, had hij gezegd. “Maar goed, voor ons op deze manier wel een koopje. En gelukkig heeft hij ons nummer niet, dus hij zal niet snel bellen.” Thuis hadden ze de wandtelefoon direct opgehangen en hij paste precies bij de woonkeuken zoals verwacht.

Het gekke met mooie voorwerpen is alleen dat je ze na een tijdje niet meer ziet. Ze zijn er gewoon en lijken daardoor minder bijzonder, tot je er weer eens bewust naar kijkt, zoals eigenlijk alles in het leven.  Bastiaan kijkt nooit meer naar de telefoon om. Elaine daarentegen stoft de telefoon elke week keurig en met aandacht af. Voor haar blijft de telefoon bijzonder. Vandaag heeft ze besloten de wandtelefoon een keer met een nat doekje af te nemen. Voorzichtig haalt ze de hoorn van de haak. Ze wrijft over het oor- en het mondgedeelte. “Hallo”, klinkt het krakend. Van schrik laat Elaine de hoorn uit haar handen vallen. De hoorn knalt met een klap tegen de muur. Snel pakt Elaine de hoorn weer op. Ze inspecteert de telefoon en de muur. Gelukkig is er niks beschadigd.

In de verte hoort ze weer zachtjes gekraak. Het lijkt alsof ze iemand nog een keer hallo hoort zeggen. Ze kijkt naar de hoorn in haar hand en brengt die naar haar oor. “Hallo…”, zegt ze aarzelend. “Goedemorgen, mevrouw De Ruiter”, klinkt het krakend aan de andere kant van de lijn. “Wat?”, stamelt Elaine. “Even controleren of alles werkt. En jawel! Mooi, dan kan er niks verkeerd gaan.” Even klinkt de ouderwetse herhalende pieptoon als bewijs dat de andere kant heeft opgehangen. Daarna is het stil. Elaine houdt de hoorn op een afstandje voor haar gezicht. Ze kijkt ernaar alsof de telefoon behekst is. Daarna doet ze de hoorn weer aan haar oor. “Hallo? Hallo?” Doodse stilte. “Wat ben je aan het doen”, vraagt Bastiaan verbaasd, die net de keuken in komt lopen. Snel legt Elaine de hoorn op de haak.

“Dus er zei iemand iets door de telefoon?” Bastiaan probeert zijn gezicht in de plooi te houden. “Iemand zei mijn naam.” Elaine weet hoe ongeloofwaardig ze klinkt. “En diegene wilde controleren of de lijn het deed?” Bastiaan houdt het niet langer. Zijn hartelijk lach klinkt door de keuken. “Tuurlijk, Elaine. En straks worden we weer gebeld.” Elaine knikt zachtjes. “Je hebt gelijk. Ik ben gewoon moe. Mijn fantasie gaat met me aan de haal.” “Dat denk ik ook. Die telefoon is zo dood als een pier.” “Maar dat mannetje, weet je nog… Hij zou ons bellen, mij bellen.” “Ja, als ik er niet meer was. Dus hij is te vroeg.” Bastiaan pakt zijn sporttas van de grond en geeft Elaine een knipoog.

Elaine kijkt hoe Bastiaan in zijn auto stapt. Ze zwaait. Hij zwaait terug en maakt met zijn duim en pink naast zijn oor het gebaar dat hij haar nog wel belt. Daarna verschijnt er een grote grijns op zijn gezicht. Elaine lacht naar hem. Hij heeft gelijk, het wordt tijd dat ze het wat rustiger aan gaat doen. Anderhalf uur later ligt ze te slapen op de bank. Het boek dat ze aan het lezen was, is op de grond gevallen. Haar mond hangt halfopen en ze produceert zachte pruttelende geluiden.

In de verte gaat een telefoon. Het rinkelende geluid wordt luider en luider. Elaine schrikt wakker en kijkt op de klok. Half elf ’s avonds, ze heeft uren geslapen. Het geluid van de rinkelende telefoon wordt scheller. Elaine pakt haar hoofd vast. Wat een rotgeluid. Waar komt het vandaan. Wankelend staat ze op, op zoek naar haar mobiele telefoon. Waar is Bastiaan? Ze kijkt naar buiten, zijn auto staat er niet. Haar mobiel gaat niet over, het geluid komt ergens anders vandaan. In haar maag ontstaat een weeïg gevoel. Ze kijkt richting de keuken en voelt hoe de zenuwen haar spieren verder verslappen. Stapje voor stapje gaat ze dichter naar de keuken toe. Tot ze de wandtelefoon in het oog krijgt, die zo driftig rinkelt dat de hoorn erop heen en weer danst.

Elaine knijpt zichzelf letterlijk in haar armen. Ze moet dromen. Die telefoon kan niet overgaan. Waar is Bastiaan? Het rinkelende geluid gaat maar door. Elaine komt langzaam dichterbij, pakt de hoorn en zegt zachtjes hallo. “Elaine met mij.” “Bastiaan? Ben jij dat? Hoe kan dat?” “Ik wilde je nog heel graag even bellen. Ze zeiden dat ik een telefoontje mocht plegen. Ik ben zo blij dat je opneemt.” “Bastiaan? Ben je opgepakt door de politie? Waar ben je?” “Ik weet het niet precies, Elaine. Maar het is hier volgens mij wel oké. Ze hebben me nog niet veel verteld, maar ze zeggen wel dat het goedkomt met me.” “Goed komt met je, oh god, ben je gewond?” “Niet meer, Elaine.”

Verward luistert Elaine naar de woorden van haar vriend. “Maar ik mocht je nog bellen. Ze zeggen dat dat heel bijzonder is, dat niet iedereen dat kan. Gelukkig heb ik de telefoon mogen huren van meneer De Zwart.” “Meneer De Zwart? Wie is dat?” “Die man uit de winkel, Elaine. Hij is hier ook. Hij verhuurt de telefoon alleen aan speciale gevallen, zegt hij. Aan mensen die hij het gunt.” “Bastiaan, ik wil dat je naar huis komt.” “Dat zou ik ook willen, Elaine. Maar dat kan niet. Ik moet hier blijven. Maar ik moest tegen je zeggen dat het uiteindelijk weer goedkomt. Dat we elkaar weer zien. Tot die tijd zal ik op je wachten. Zorg jij dat je uit het leven haalt wat erin zit?”

Elaine houdt de tranen niet langer tegen. “Wat is dit voor flauwekul, Bastiaan?” “Ik houd van je, Elaine. Dat weet je. Nu en voor altijd. We gaan elkaar weer zien en het gaat goed met me. Pas goed op jezelf.” Ineens klinkt de ijskoude kiestoon. Daarna helemaal niks meer. Elaine kijkt naar de hoorn in haar hand. Dan gaat de deurbel. Met een onrustig gevoel loopt Elaine er naartoe. Twee politieagenten kijken haar aan. “Mevrouw De Ruiter, wij zouden graag even binnen willen komen.” Verdoofd doet ze de deur verder open. Als ze zich omdraait, ziet ze dat de zwarte wandtelefoon van de muur is verdwenen.

Een telefoon in een kringloopwinkel. Hij rinkelde niet echt, maar wel in een schrijversbrein.

zondag 28 januari 2018

De sprong


Een aanloop nemen, springen, niet meer om haar heen kijken, niet meer luisteren naar anderen en met beide voeten er volledig in belanden. Dat was wat ze ging doen. Als een vrouw met een duidelijk omschreven missie stond ze in de lift naar beneden. Op weg naar haar vrijheid, op weg naar haar statement.
De man die naast haar druk stond te bellen, of in elk geval, zoals elke dag, deed alsof, had niets door van haar gevoel van euforie. Sowieso wist hij niet zo goed wat er in anderen omging, of het interesseerde hem simpelweg niet. Hij sprak over jaarcijfers, over moeilijkheden die overwonnen moesten worden, over wijzigingen in de organisatie die alles beter zouden maken. Hij keek haar aan, onderzocht haar gezicht en bijpassende reactie, of ze wellicht niet teveel had gehoord. Maar gevoelens snapte hij niet, kon hij niet aflezen. Licht geschrokken begon hij zachter te praten. “Soms is het niet anders. Soms moeten dingen gebeuren, Nico. Het is zij of wij. En ik weet wat beter is.”
Ze gniffelde zachtjes, ze lachte erom. Ze ging het gewoon doen. Het interesseerde haar geen zak. Ze ging het gewoon doen. Ze negeerde haar moeders woorden: ‘je hebt al zoveel te doen thuis, zo krijg je er nog meer bij’. Ze negeerde ook haar directe en ambitiegerichte collega: ‘word nu eens volwassen. Het leven vraagt nu eenmaal om je te gedragen en aan te passen. Ja-knikken. Beetje geven, beetje nemen. Doen alsof je het begrijpt. Principes aan de kant zetten. Ja, anders heb je geen leven, Sam. Geen baan, geen geld, dan heb je geen reden om te bestaan’. Ze negeerde ook haar baas: ‘hoe wil je ooit een senior worden met zulk gedrag?  Ik herken je niet meer’.
“Ha”, gnuifde ze hardop. De man, die zich van haar had weggedraaid om zijn gesprek te kunnen afmaken, draaide zich om en keek haar verstoord aan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keerde zich weer van haar af. Hij had belangrijke dingen te doen: mensen voorliegen, zorgen dat hij nog meer geld ging verdienen, vergeten dat er ook andere dingen in het leven zijn. Ze tikte op zijn schouder. Hij keek om en, net voor de bel van de lift aangaf dat ze op de begane grond waren, stak ze middenin zijn gezicht haar tong uit. Hij kon niet meteen iets terugzeggen. “Wacht even, Nico. Momentje.” Hij legde zijn hand op het spreekgaatje van zijn mobiele telefoon. “Wat moet je, Sam?”, siste hij. “Wil je je baan soms nu al kwijt.” Nu al, hij versprak zich.
Terwijl ze beiden uit de lift stapten, bleef hij haar vragend aankijken. Sam tuitte haar lippen, siste erdoorheen en klonk als een fluitketel. Hij haalde geïrriteerd zijn schouders op. “Ik spreek je morgenochtend, Sam. Tien uur, melden in mijn kamer. Begrepen?” Sam knikte als een meisje dat net op haar kop had gekregen. Ze maakte een lichte buiging en liet hem voorgaan. “Natuurlijk baas.” Hij zuchtte, pakte zijn telefoon weer. “Nico, daar ben ik. Ik werd even afgeleid. Nee, niets belangrijks. Verre van zelfs.”
Pratend liep hij naar buiten. Ze zag hem al door de draaideur gaan. Nu moest ze snel zijn, anders zou ze het niet halen. Ze keek om zich heen. Niemand te zien, mooi, dan kon ze nu gewoon even lekker haar gang gaan. Een, twee, drie, telde ze in haar hoofd. Go, schreeuwde ze er geluidloos achteraan. Ze rende door de draaideur heen. Hopte de trap af en nam in een, twee, drie, vier, vijf, zes stappen de aanloop die ze zich had voorgenomen. Ze zette af, sprong de lucht in, zwiepte in de lucht met haar benen of ze nog aan het rennen was, en kwam, precies zoals gepland, midden in de enorme modderplas terecht.

Ze voelde de druppels om haar oren vliegen, modderspatten kwamen mee, het kon haar allemaal niet deren. Terwijl ze het water door haar broek voelde sijpelen, bewoog ze nog vier keer huppelend op en neer in de enorme plas die ze al de hele dag vanuit haar kantoorraam had zien liggen. De spetters vlogen alle kanten op. “Je bent ontslagen, Sam”, hoorde ze een kwade stem achter haar. Ze draaide zich om en zag hem staan. Haar baas, zijn maatpak volledig geruïneerd door de modder. “Soms is het niet anders", zei ze smalend. "Soms moeten dingen gebeuren. Het is jij of ik!” Huppelend vervolgde ze haar eigen weg. Op naar de volle wasmachine die haar moeder al voorspelde en op naar een beter leven dan haar ex-collega had verwacht.

maandag 8 januari 2018

Vederlicht

Ze volgt met haar handen de robuuste stam naar boven. De stam is van de boom die boven haar ver uitreikt naar de hemel. Wat als ze daar nu eens in klimt, komt ze dan dichterbij? Ze raakt de stam even aan. Een koude, kale, harde bast die doet vermoeden dat de boom niet leeft, maar integendeel: de boom zit vol leven.

Boven haar groene, verse bladeren. Koolmeesjes en pimpelmezen die van tak naar tak hippen. En ze ziet mieren in de kleine openingen van de boomschors voorbijkomen. Zachtjes wandelend, aan de noeste arbeid, zich niet tot nauwelijks storend aan wat er om hen heen gebeurt. Met het puntje van haar wijsvinger probeert ze een van de mieren aan te raken. Heel zachtjes, een kleine aanraking. De mier die ze prikt, verstart. Hij komt pas na een paar tellen weer tot leven. Het diertje lijkt even naar haar omhoog te kijken en strijkt dan met een voorpoot over zijn voelsprieten. Daarna vervolgt hij zijn weg, alsof er niets is gebeurd.

Weer kijkt ze langs de boomstam omhoog. Hoeveel meter zou het zijn, vraagt ze zich af. Acht, misschien tien, of is het meer? En zou die hoogte genoeg zijn? Ze voelt nog een keer aan de stam. “Het gaat mij sowieso nooit lukken om naar boven te klimmen”, zegt ze zachtjes. “Waarom zou je dat ook willen”, vraagt een stem. Lisa deinst achteruit. Ze kijkt om haar heen, links, rechts, achter: niemand. “Waarom wil je naar boven klimmen”, vraagt de stem weer. Lisa kijkt nog een keer alle kanten op. “Hier… je moet naar boven kijken. Goed kijken, dan zie je me wel.”

Lisa kijkt naar boven, de enorme boom in. Nog steeds hippen er kool- en pimpelmezen rond, en een roodborstje, ziet ze nu. De mieren lopen onverstoord hun route. Helemaal bovenin zit een specht. “Ik… eh… ik zie je niet”, zegt Lisa voorzichtig. “Jazeker wel. Je ziet mij wel.” Lisa kijkt nog een keer omhoog om te zien waar de stem vandaan komt. Ze buigt haar nek zover mogelijk naar achteren. Zit er iemand verstopt in het groen? Ze loopt rond de stam, tuurt naar alle takken, ziet een boomklever hetzelfde doen als zij, waardoor ze die vogel, op zijn staartje na, eigenlijk net elke keer misloopt. “Ik zie je echt niet.” “Jawel, je hebt mij allang gezien. Je weet alleen niet dat je me gezien hebt, omdat het niet klopt in je hoofd. Je maakt de connectie niet.”

Lisa merkt dat ze ongeduldig wordt. Wat is dit nu voor raar gedoe. “Nou, kom op, kom uit die boom. Ik vind die niet leuk meer.” Ze geeft met haar linkervoet een kleine schop tegen de boom. “Dat is niet aardig van je. Dadelijk val ik naar beneden. Maar goed, vertel nu eens: waarom wil jij deze boom in?” Lisa zucht. “Ik zou niet weten waarom ik jou dat moet vertellen”, zegt ze snibbig. “Ik weet niet eens wie je bent.”

“Soms is het ook lekker om je hart te luchten zonder dat je weet aan wie. Zie het als een soort biecht.” “Een biecht? Ik heb helemaal niks gedaan. Ik heb niks op te biechten.” De stem zucht nu hoorbaar. “Dat bedoel ik ook niet, ik bedoel dat het soms lekker is om even tegen iemand aan te praten, ook al ken je diegene niet. Nou, kom op. Ga op de grond tegen de boomstam zitten en vertel mij dan eens waarom je deze boom in wilt.”

De stem krijgt een kalmerende werking op Lisa. Gedwee gaat ze zitten tegen de boomstam. “Wat is er precies aan de hand? Waarom wil jij, als iemand die niet kan vliegen volgens mij, zich wagen aan een boom van dik vijftien meter hoog?” Nog hoger, denkt Lisa en ze ziet de kans om ooit boven te komen, nu echt vervliegen. Ze kijkt nog een keer omhoog om te zien wie tegen haar praat. Ze ziet niemand. Toch heeft ze zin om te praten. Gewoon even praten over wat haar bezighoudt.

"Ben je daar nog”, vraagt ze voorzichtig. “Jazeker, ik was niet van plan om hier weg te gaan.” Lisa haalt diep adem. “Wil je het echt weten?” “Dat lijkt mij wel. Misschien kan ik je helpen.” “Nee, dat kun je niet, maar als je wilt luisteren, dan is dat fijn.” Lisa begint te vertellen. Ruim een uur lang doet ze haar verhaal.

“Dat is niet niks, meid”, zegt de stem. “Dat is niet niks. Maar in de boom klimmen, dat is de oplossing niet. Echt waar, ik kan het weten. Ik ben in de top van deze grootste boom van het bos geweest. Daar begint de hemel niet. De hemel is heel ergens anders. En eigenlijk veel dichterbij dan je denkt. De hemel zit in je hart. Of beter gezegd de mensen die er niet meer zijn, zitten in je hart. Daar moet je zijn. Niet in een boom. En wat als je er kon komen via deze boom? Wat had je dan gewild?”

Lisa haalt uit haar broekzak een envelop met een brief. “Dan had ik deze aan mijn moeder willen geven. Ik zou haar nog een keer vertellen wat zij voor mij heeft betekend en hoe ik haar mis.” Ineens zit de bonte specht op de grond naast haar. Verrast kijkt Lisa naar de lievelingsvogel van haar moeder. “Wat ben jij mooi, zeg.” De specht hipt naar voren, pakt de brief en gaat er met een paar vleugelslagen vandoor. 

“Nee, niet doen”, roept Lisa. “Niet doen! Dat is mijn brief. Kom hier. Oh, wat moet ik nu?” De stem geeft geen antwoord meer. Lisa ziet de specht hoger en hoger vliegen, al voorbij de boomkruin. “Ben je daar nog? Hallo?” Lisa kijkt omhoog. Nog steeds kool- en pimpelmezen, het roodborstje, de mieren en de boomklever. De specht is een kleine stip hoog in de lucht.

Lisa staat na een tijdje op en loopt naar huis. Bijna thuis dwarrelen er twee veren naar beneden, vlak voor haar voeten: een zwart-witte spechtenveer en een heel heldere witte die licht lijkt te geven.  Lisa loopt naar binnen en pakt een pot met vogelpindakaas om buiten op te hangen. Ze voelt zich op de een of andere manier vederlicht.

woensdag 19 juli 2017

Een nieuwe poging

Langzaam draait ze haar hoofd naar links, met haar ogen dicht, want eigenlijk wil ze het niet zien. Maar ze moet, ze moet het zien. Ze moet zien of het goed genoeg is, of het is gelukt. Haar hoofd is al in de richting gedraaid van waar ze moet kijken, maar haar ogen houdt ze stijf dicht. “Kom op, Miranda”, spoort haar man haar aan. “Doe je ogen open.” Ze hoort aan de klank van zijn stem dat hij er nog iets in gedachten achteraan zegt: ‘Stel je godverdomme niet zo aan, stomme muts.’ Of is dat haar eigen gedachte? Nee, zo lelijk spreekt hij nooit tegen haar. Hij heeft haar nog nooit uitgescholden, alleen maar liefgehad. Ach, ze weet het niet meer. Haar hoofd zit vol gedachten. Zo vol, zoveel, dat haar hoofd op ontploffen staat. Bovendien doet haar lijf zeer. Ze weet niet meer waar ze zich op moet concentreren. Ze hoort Pieter naast haar zuchten, ietwat ongeduldig, in haar hoofd hoort ze het voortdurend knetteren. “Ik durf niet”, mompelt ze. “Dat snap ik”, zegt Pieter, “maar je moet. Je kunt niet doen alsof het niet is gebeurd. Je moet het onder ogen zien.” Wat had hij toch altijd makkelijk praten, denkt ze. “Mier…” Hij spreekt haar afgekorte naam duidelijk en afgemeten uit. “We hebben hier zelf voor gekozen.” “Ja, dat weet ik wel, maar dat wil niet zeggen dat ik het leuk vind.” Ze draait haar hoofd weer naar het midden en doet haar ogen open. Een mooie blauwe lucht, twee meeuwen die hoog boven op de thermiek aan het zweven zijn. Van links naar rechts, rechts naar links, hoger en weer lager. Het is een prachtig gezicht. Ze ruikt de geur van gras, ze voelt de kou van water. “Het is niet helemaal goed gegaan, hè”, merkt ze fijntjes op. “Nee, niet echt.” “We hadden het ook moeten oefenen.” Ze merkt dat ze boos wordt. “Je had toch ook even kunnen wachten tot we klaar waren met oefenen?” Pieter lacht schamper. “Alsof ik die keuze had, zeg.” “Nee, niet echt”, geeft ze toe en ze denkt aan het ongeluk dat hij kreeg, nu twee weken geleden. “Toch hadden we het moeten oefenen, een soort van ”, mompelt ze. Ze voelt een warme traan langs haar wang lopen. “En nu?” “Wachten”, zegt Pieter. “Waarop?” “Op hulp.” “Die weten niet waar we, waar ik, ben.” “Dan moeten we ergens anders op wachten, op dat wat we eigenlijk willen.” Ze hoort hoe Pieter gaat verzitten. Het water klotst. “Ik kan je niet helpen. Het spijt me. Je moet er zelf doorheen. Heb je het koud?” “Niet echt. Ik voel mijn benen alleen niet meer.” Weer kijkt ze omhoog, ze buigt haar hoofd iets naar achteren. Nog steeds de twee meeuwen dansend in de lucht, daarachter een hoge brug. “Daar! Daar!”, hoort ze ineens. Ze richt haar hoofd op en ziet tegelijkertijd de ravage die de sprong aan haar benen heeft aangericht, en de ambulancemedewerkers. “Ach nee, ook dat nog”, zucht ze. Ze kijkt Pieter aan: “Sorry...” Ze voelt hoe ze verder wegzakt als ze op een brancard wordt gelegd. Als ze haar ogen opent, kijkt een onbekende man met een ernstig gezicht haar aan. “Mevrouw De Zeeuw, u bent opgenomen in het ziekenhuis.” De man, die dokter blijkt, ratelt door. “U kunt nooit meer lopen… maanden revalidatie… u kunt daarna naar huis…” Huis? Huis? Huis is geen thuis meer, schreeuwt ze, maar haar mond is woordeloos. De medicijnen die ze krijgt, houden haar bij de les, bij het leven. Moeizaam ondergaat ze het lange proces om terug te keren. Tegen haar zin, maar de wereld verwacht dat ze dat wel wil en doet. Pieter weigert het om langs te komen of is hij er wel? Is het dan zo stom wat ze heeft gedaan? Dan breekt de dag aan dat ze wordt thuisgebracht. “Toch is het weer fijn om thuis te zijn”, spreekt haar vriendin Marlies voor haar als ze bij de voordeur staan. “Toch?” De vraag blijft hangen in de lucht. “Ik pak even mijn spullen”, zegt Marlies. “Liever niet”, antwoordt zij. “Ik wil graag alleen zijn.” “Maar…” Marlies aarzelt. “Dan kom ik morgen, oké.” Moeizaam haalt ze haar schouders op en zegt: “Je bent een lieverd.” Haar vriendin kijkt haar aan, onderzoekend, of het echt wel met haar gaat. Als haar vriendin de deur achter zich dichtdoet, rolt ze naar de badkamer. Daar zit Pieter op de badrand, met een grote glimlach. “Daar ben je weer.” “En daar ben jij weer”, zegt ze blij. “Nou, nieuwe poging dan maar?” Pieter knikt, maar zegt: “Weet je het zeker, Mier?” Ze knikt. “Ja, zekerder dan ooit. Ik wist het al toen we het met elkaar afspraken, lang geleden. Ik wil niet zonder jou.” Ze reikt naar het medicijnkastje. Die hangt te hoog. “Wacht maar”, zegt Pieter, “en hij pakt het potje met slaappillen.” “Nog even doorbijten”, zegt ze tegen zichzelf. En dan tegen haar liefhebbende man: “Dan zijn we voorgoed weer samen.”

zondag 5 februari 2017

Nog één dans

Zachtjes prikt ze de kleine zilveren oorbel in haar rechteroorlelletje. Ze voelt weerstand, door het vetbobbeltje dat er zit, veroorzaakt door haar vorige oorbel die niet van zilver was. Ze zet iets meer kracht en de oorbel schiet er doorheen. Godsamme, dat doet zeer, vervloekt ze de stekende pijn. Ze pakt haar linkeroorbel van de wastafel en herhaalt aan de andere kant van haar gezicht hetzelfde ritueel. Weer een kleine pijnscheut, maar ook deze oorbel zit. Tevreden voelt ze met haar vingers hoe de oorbellen, die haar moeder vroeger had gedragen tijdens speciale gelegenheden, op hun plek zitten. Kijken in de spiegel, doet ze niet. Het moet nog even een verrassing blijven. Voorzichtig haalt ze een borstel door haar haren. Ze voelt hoe haar haar golft tot op haar schouders. Ze doet haar ogen dicht en ziet de eikenhouten kleur voor zich. ‘Zo donkerbruin als het haar van Sneeuwwitje’, zei haar vader altijd. Dan pakt ze haar panty en wurmt daarin haar rechtervoet met roodgelakte teennagels. Haar linkervoet verdwijnt in de andere pantypijp. Nog steeds staat ze met haar ogen dicht. Ze voelt hoe de stof van de panty over haar benen glijdt. Ze weet dat panty’s haar benen gladder en slanker doen lijken. Als ook het kruis van de panty op de plek zit, pakt ze haar jurk van het kleerhangertje. Een mooi rode, met een nepedelstenen ingelegde ceintuurband die haar taille benadrukt. Zachtjes wrijft ze over de glinsterende steentjes. Wat voelt ze zich mooi. Ze ziet zich al dansen in de met bloemen prachtig aangeklede zaal. Zwierend en zwaaiend van de ene naar de andere kant, blosjes op haar wangen, haar voorhoofd licht bezweet. Een bekende knappe man komt opnieuw naar haar toe en vraagt haar met hem te dansen. Net als die allereerste keer wil ze zo graag. Ze glimlacht, schudt haar hoofd en gaat verder met waar ze mee bezig is: zich mooi maken voor deze bijzondere middag. In haar haar schuift ze een glinsterende klem, passend bij haar jurk. Om haar rechterarm doet ze haar bijpassende armbanden, aan haar rechterringvinger haar mooiste en belangrijkste zilveren ring. “Mama, ben je klaar”, vraagt een stem zachtjes bij de deur. Ze slikt onhoorbaar en staat nog steeds met haar ogen dicht. “Mam, ik kom naar binnen.” Op het moment dat haar dochter de deur van de badkamer opendoet, opent ze haar ogen. Ze kijkt zichzelf in de spiegel aan: ze kijkt naar haar ingevallen oogkassen, haar rimpels en haar vale gezicht dat wordt omlijst door haar grijze piekharen. Ze voelt de tranen. “Dat ben ik niet”, stamelt ze. “De tijd is nog niet voorbij.” “Je ziet er prachtig uit, mama.” Als ze naar haar dochter kijkt, moet ze lachen. “Mama, oma, waar blijven jullie nou?” Een blozende en schitterende dame komt binnen. “Wat ziet u er mooi uit, oma!” “Wat kun jij liegen, kind”, zegt ze zachtjes. Ze voelt een steek van jaloersheid als ze haar kleindochter aankijkt en haar zestig jaar jongere ik in haar herkent. “Oma, dat is niet waar. U en mijn moeder zijn de mooiste vrouwen die opa heeft gekend. Dat weet ik zeker.” Haar kleindochter pakt de rollator en zet die voor haar neer. “Kom, we moeten gaan.” Even staan ze met zijn drieën voor de kleine badkamerspiegel. De tijd in drie akten. Snel zet ze nog een houtskoolstreepje onder haar ogen, getrokken over de huidplooien van haar rimpels. “We kunnen gaan”, zegt ze krachtig. Drie kwartier later zitten ze in de met bloemen aangeklede zaal. Als de muziek begint te spelen, kan het haar niets meer schelen. Ze pakt de onzichtbare hand die haar wordt toegestoken en glimlacht tevreden. Ze staat op, laat haar rollator staan en danst. Ze zwiert en zwaait, met blosjes en tranen op haar wangen. “Madeleine, mag ik deze laatste dans van jou?” “Ik heb deze dans speciaal voor jou bewaard, Charles.” Ze danst of haar leven er vanaf hangt. Dan struikelt ze over haar oude, stramme benen en valt, precies met haar rechterslaap op de punt van de glanzende witte kist. Een mooiere apotheose had ze zich niet kunnen wensen.

maandag 24 oktober 2016

Een zonnig gevoel

Ze gaat er eens lekker voor liggen. Vandaag heeft ze besloten er gewoon van te genieten. Het is eigenlijk niks voor haar, uren niks doen. Ze is altijd bezig, ze wil altijd wat te doen hebben en zeker nu vindt ze dat ze haar tijd wel beter te besteden heeft. Maar goed, andere mensen kunnen het ook, dus probeert ze zich te ontspannen. Ze heeft naast haar telefoon, een fles water, haar tablet met spelletjes, ook maar een boek meegenomen. Met het idee om daarin een paar hoofdstukken te lezen. Het is een leuk boek, vindt ze. Zo’n verhaal waarbij je een prettig gevoel krijgt, een zonnig gevoel. Precies wat ze op dit moment nodig heeft. En dus gaat ze er nog maar eens lekker voor liggen.

Plotseling staat er een vrouw naast haar bedje. Die zet een glaasje jus d’orange voor haar neer. Het glas ziet er fris en fruitig uit. “Dankjewel”, zegt Simone en ze knikt vriendelijk naar de vrouw, die al weer is omgedraaid en is weggewandeld. Simone haalt haar schouders op, pakt haar boek en bladert erin om te kijken waar ze precies is gebleven. Het boek gaat over Minke, die op wereldreis is en in elk land waar ze komt nieuwe mensen ontmoet en nieuwe avonturen meemaakt.

Simone heeft net het hoofdstuk afgerond waarin Minke in een camper door Alaska heeft gereisd. De camper was alleen zo oud, dat hij op een afgelegen plek de geest had gegeven. Minke was zelf aan de slag gegaan onder motorkap met als resultaat dat ze zwart zag van de viezigheid en de camper nog steeds weigerde dienst te doen. Wanhopig had ze langs de kant van de weg gestaan. Er zou toch iemand langs moeten komen die haar kon helpen. Gelukkig voor Minke kwam die hulp, in de persoon van Mike, een breedgespierde Amerikaan, gekleed in een bezweet houthakkersshirt. Mike had haar lang in de ogen gekeken, de smeerresten van haar gezicht geveegd en daarna haar camper mee naar zijn huis gesleept.

Simone slaakt een diepe zucht. Waar zijn die romantische, en niet geheel onbelangrijk gespierde, kerels gebleven? Ze kijkt om haar heen. Verderop ligt een kale man op zijn bedje. Hij ziet dat ze kijkt en steekt vriendelijk zijn hand op. Aarzelend zwaait ze terug en bladert daarna snel naar het juiste hoofdstuk. Minke reist nu samen met Mike door Tunesië. Onderweg komen ze nomaden tegen en ze worden uitgenodigd voor een avondmaaltijd. Ze eten geit met rijst, onder een prachtige sterrenhemel, bij een kampvuur. Simone neemt een slokje van haar jus d’orange en slikt de zurige drab moeilijker weg dan anders. De wereld ontdekken en nooit meer terugkeren naar een thuis, zoals de nomaden. De wereld je thuis maken. Simone droomt weg en valt dan, door de warmte die zichtbaar is op haar rode wangen, in slaap.

Ineens staat ze in een lunchcafé. Er staan leren bankstellen met houten tafels en stoelen en het ruikt er heerlijk naar koffie en gebakken tosti’s. Aarzelend wandelt Simone naar de bar. Ze ziet een vrouw staan, met de rug naar haar toe. Simone kucht om haar aandacht te trekken, maar de vrouw reageert niet. Ietwat ongeduldig kijkt Simone om haar heen. Dan ziet ze boeken liggen met allerlei breipatronen. Er staan kasten langs de muur vol wol en garen. Het blijkt een handwerkcafé te zijn, zo een waar ze altijd al van heeft gedroomd. Dan valt Simone’s oog op het bordje dat ‘worteltaart’ aanprijst. “Oh, mijn God, ik ben in het paradijs”, zegt Simone hardop. “Pardon, ik had je niet gezien. Kan ik je helpen?” Simone kijkt op naar de vrouw en kijkt in haar eigen ogen. Ze schrikt wakker. Was dat haar café?

Weer wordt er een glaasje jus d’orange neergezet. “Je moet blijven drinken”, krijgt Simone als tip, die ze vaker heeft gehoord. Ze knikt en nipt van het volgende glas. Zie je dat wegsoezen niks voor haar is. Ze droomt alleen maar over dingen die toch niet gebeuren. Vanuit het niets springt er een zwart-witte kater op haar schoot. “Zeg, wat is dat nu? Geloof jij niet meer in dromen? In plannen? In de toekomst?” Simone kijkt hem geschrokken aan. “Wat doe jij nu hier? Droom ik nu weer?” De kat is net zo snel verdwenen als hij kwam.

Geschrokken kijkt Simone om zich heen. Niemand heeft het gezien toch, dat ze tegen zichzelf aan het praten is? Nee, niemand kijkt. Simone gaat verder in haar boek. Als ze twee bladzijdes verder is, staat er weer iemand naast haar bedje. Ze moet gaan. Het bedje is gereserveerd voor iemand anders. Is de tijd zo snel gegaan? Simone staat op, pakt haar spullen bij elkaar en doet voor de spiegel haar sjaaltje weer om haar hoofd. Ze wrijft over de bovenkant van haar hand, die beurs voelt van het zoveelste infuus. Nog zeven chemo’s, een aantal operaties en een lange herstelperiode. Dan is ze er helemaal klaar voor om al haar dromen waar te maken. En ook al komt er maar een klein deel van uit, dan is Simone al meer dan tevreden: ze leeft!